Geschiedenis :
Aanvankelijk liep de geschiedenis van de American Akita parallel aan de ontwikkeling van de Japanse Akita. Sinds 1603 werden in de Japanse streek Akita de Akita Matagi’s (middelgrote jachthonden) gebruikt als vechthonden. Vanaf 1868 werd het ras gekruist met de Tosa’s en Mastiffs. Hierdoor nam het formaat van de Akita’s toe, maar de karakteristieke eigenschappen van het spitz-type gingen verloren.

Toen in 1908 hondengevechten werden verboden, werd het ras desondanks in stand gehouden als groot Japans ras en in 1931 aangemerkt als nationaal erfgoed. Tijdens de Tweede Wereldoorlog (1939-1945) was het gebruikelijk om hondenbont te gebruiken voor militaire uniformen. De politie eiste het vangen en in beslag nemen van alle honden anders dan Duitse herdershonden, omdat die voor militaire doeleinden gebruikt werden. Enige Akita-liefhebbers trachtten het bevel te omzeilen door hun Akita’s met Duitse herders te kruisen. Toen de Tweede Wereldoorlog ten einde kwam waren de Akita’s in aantal afgenomen en waren er drie typen: 1) Matagi Akita’s, 2) vecht-Akita’s, 3) Herder Akita’s. Dit schiep een verwarrende situatie binnen het ras. Gedurende het restauratieproces van het zuivere ras, genoot de Kongo-go uit de Dewa-lijn na de oorlog een tijdelijke, maar geweldige populariteit.

Veel Akita’s uit de Dewa-lijn, die eigenschappen van de Mastiff en de Duitse herder toonden, werden door manschappen van het Amerikaanse leger naar de Verenigde Staten meegenomen. De Akita’s uit de Dewa-lijn (intelligent en in staat zich aan elke omgeving aan te passen) fascineerden fokkers in Amerika en de lijn werd verder ontwikkeld met een toenemend aantal fokkers en een forse stijging in populariteit. De Akita Club of America werd in 1956 opgericht en de American Kennel Club (AKC) accepteerde het ras (inschrijving in het stamboek en gangbare showstatus) in oktober 1972.

In die tijd hadden de AKC en de JKC (Japan Kennel Club) geen onderlinge afspraken over het erkennen van elkaars stambomen en daardoor werd de deur gesloten voor het introduceren van de nieuwe bloedlijnen uit Japan. Vervolgens gingen de Akita’s in de Verenigde Staten aanzienlijk verschillen van die in Japan, het land van oorsprong. Ze ontwikkelden zich als een op zichzelf staand type, met eigenschappen en een rasbeeld dat sinds 1955 ongewijzigd was gebleven. Dit staat in scherp contrast met het Japanse type, dat werd gekruist met Matagi Akita’s, met als doel het restaureren van het oorspronkelijke zuivere ras.

 

American Akita

 

Algemene verschijning :
Grote hond, krachtig gebouwd, goed in verhouding, met veel massa en zwaar bot. Breed hoofd, vormt een stompe driehoek met een diepe voorsnuit, in verhouding kleine ogen en staande oren die bijna in lijn met de achterzijde van de hals gedragen worden, is een specifiek kenmerk voor het ras.

 

Belangrijke verhoudingen :
• De verhouding schofthoogte tot lichaamslengte bedraagt 9 tot 10 bij reuen en 9 tot 11 bij teven.
• De diepte van de borst meet de helft van de hoogte van de hond vanaf de schoft.
• De afstand van de punt van de neus tot de stop verhoudt zich tot de afstand van de stop tot de achterhoofdsknobbel als 2 tot 3.

 

Gedrag en temperament : Vriendelijk, attent, reagerend, waardig, volgzaam en moedig.

 

Hoofd : Massief, maar in verhouding tot het lichaam, vrij van rimpels als de hond op zijn gemak is. Van boven gezien vormt het hoofd een stompe driehoek.

 

Bovenschedel :
Schedel : Vlak en breed tussen de oren. Een ondiepe groef strekt zich goed uit over het voorhoofd.
Stop : Goed aangeduid maar niet te abrupt.

 

Aangezicht:
Neus : Breed en zwart. Vleeskleur alleen in witte honden aanvaardbaar, maar aan zwart wordt altijd de voorkeur gegeven.
Voorsnuit : Breed, diep en vol.
Lippen : Zwart en niet overhangend, roze tong.
Kaken/Gebit : Kaken niet gerond maar stomp, sterk en krachtig. Gebit sterk, regelmatig en volledig; een schaargebit heeft de voorkeur, maar tanggebit is aanvaardbaar.
Ogen : Donkerbruin, in verhouding klein, niet puilend, bijna driehoekig van vorm. Oogleden zwart en aangesloten. Vleeskleurige oogleden alleen toegestaan in witte honden.
Oren : Krachtig opstaand en klein in verhouding tot de rest van het hoofd. Als het oor naar voren gevouwen wordt om de lengte te meten, dan zal de punt het bovenooglid raken. Oren zijn driehoekig, licht gerond bij de punt, breed bij de aanzet, niet te laag aangezet. Vanaf de zijkant gezien, zijn de oren naar voren hellend voorbij de ogen en ze volgen de halslijn.

 

Hals: Dik en gespierd met minimale keelhuid, in verhouding kort, geleidelijk naar de schouders toe verbredend. Een uitgesproken kruin loopt harmonieus over in de schedelbasis.

 

Lichaam : Langer dan hoog. Huid niet te dun, noch te strak, noch te los.
Rug : Recht.
Lenden : Krachtig gespierd.
Borstkas : Breed en diep. Ribben goed gewelfd met een goed ontwikkelde borstkas.
Onderbelijning en buik : Matig opgetrokken.

Staart : Groot en goed bedekt met haar, hoog aangezet en over de rug of voor driekwart deel tegen de flanken gedragen, vol, of een dubbele krul, altijd tegen de rug of onder de ruglijn komend. Bij driekwart krul komt de staartpunt goed tegen de flanken. Staartaanzet breed en krachtig. Het laatste staartwerveltje komt tot de sprong als de staart naar beneden getrokken wordt. Haar hard, recht en dicht, zonder het verschijnen van een pluim.

 

Ledematen :
Voorhand: Voorbenen voorzien van zwaar bot en van voren gezien recht.
Schouders : Sterk en krachtig en matig schuin liggend.
Middenvoet : Licht naar voren gebogen in een hoek van ongeveer 15 graden ten opzichte van een verticale lijn.

Achterhand : Sterk bespierd, breedte en bot vergelijkbaar met de voorhand. Hubertusklauwen op de achterbenen worden gewoonlijk verwijderd.
Bovendij : Sterk, goed ontwikkeld, van achteren gezien parallel.
Knieën : Matig gebogen.
Hakken : Goed naar beneden, noch naar binnen, nog naar buiten draaiend.
Voeten : Recht, kattenvoeten, goed opgebogen met dikke voetzolen.

 

Gangwerk / beweging : Krachtig, grond beslaand met matig uitgrijpen en stuwkracht. Van voren en van achteren gezien is het gangwerk parallel, waarbij de rug sterk, krachtig en vlak blijft.

Vacht :
Haar : Dubbele vacht. Ondervacht dik, zacht, dikker en korter dan de bovenvacht. Bovenvacht is recht, hard, stijf en iets van het lichaam afstaand. Beharing aan hoofd, onderbenen en oren is kort. Lengte van het haar bij de schoft is ongeveer 5 cm, wat iets langer is dan op de rest van het lichaam, behalve de staart, waar de vacht het langst en overvloedigst is.

Kleur : Elke kleur als rood, fauve, wit enz. of zelfs pinto en gestroomd. Kleuren zijn glanzend en helder en aftekeningen goed verdeeld, met of zonder masker of bies. Witte honden (eenkleurig) hebben geen masker. Pinto’s hebben een witte grondkleur met grote, gelijkmatig verdeelde platen die het hoofd en meer dan een derde deel van het lichaam bedekken. Ondervacht kan een andere kleur hebben.

 

Maat :
Schofthoogte : Reuen : 66 tot 71 cm , Teven : 61 tot 66 cm

 

Fouten : Elke afwijking van de voorgaande punten moet als een fout worden beschouwd en de beoordeling van de ernst van de fout moet in verhouding staan tot de mate waarin de fout zich voordoet.

• Teefachtige reuen, reuachtige teven.
• Smalle of snipey hoofden.
• Ontbrekende gebitselementen (behalve 2x P1 en/of M3).
• Blauwe of gevlekte tong.
• Lichte ogen.
• Korte staart.
• Naar binnen of naar buiten staande ellebogen.
• Elke aanwijzing van kraag of bevedering.
• Verlegenheid of kwaadaardigheid.

 

Ernstige fouten :
• Weinig massa.
• Licht bot.

Diskwalificerende fouten :


• Agressief of schuw.
• Volledig ongepigmenteerde neus. Een wisselneus.
• Hangoren of gevouwen oren.
• Boven- of ondervoorbijtend.
• Sikkelstaart of staart zonder krul.
• Reuen beneden 63,5 cm, teven beneden 58,5 cm.

 

N.B. : Reuen moeten twee normaal ontwikkelde, volledig in het scrotum ingedaalde testikels hebben.

 

American Akita